Proloog
Het uitstel van de besluitvorming over de belastingheffing op werkelijk rendement in box 3 vormde voor ons de aanleiding om dit artikel te schrijven.
Niet omdat wij een kant willen kiezen in het politieke debat.
Niet omdat wij de perfecte oplossing denken te hebben.
Maar omdat de discussie ons terugbracht naar een veel eenvoudigere vraag:
Wanneer ontstaat eigenlijk inkomen?
In het maatschappelijke debat gaat veel aandacht uit naar tarieven, uitvoerbaarheid, budgettaire gevolgen en juridische aspecten.
Dat zijn belangrijke onderwerpen.
Toch lijken zij allemaal voort te komen uit een fundamentelere vraag:
Wat verstaan wij onder inkomen?
Is een waardestijging hetzelfde als inkomen?
Moet inkomen eerst worden gerealiseerd voordat belastingheffing mogelijk is?
Maakt het verschil of een bezitting wordt aangehouden als handelsvoorraad, als bedrijfsmiddel, als pensioenvoorziening of als investering voor toekomstige generaties?
Tijdens onze gesprekken merkten wij dat deze vragen niet alleen relevant zijn voor fiscalisten en beleidsmakers.
Zij raken ook boeren, ondernemers, werknemers, beleggers, verhuurders, gepensioneerden en iedereen die probeert iets op te bouwen voor de toekomst.
Daarom hebben wij geprobeerd deze discussie niet te voeren aan de hand van wetsartikelen of politieke standpunten.
In plaats daarvan stellen wij een aantal eenvoudige vragen en gebruiken wij voorbeelden uit het dagelijks leven.
Niet om de lezer te overtuigen.
Maar om samen na te denken over een onderwerp dat uiteindelijk iedereen raakt.
Want voordat wij kunnen bepalen hoeveel belasting moet worden betaald, moeten wij misschien eerst vaststellen wat wij eigenlijk belasten.
Het ei en de kip
Stel dat u gisteren een ei heeft gekocht.
Vandaag hoort u dat er onverwacht schaarste aan eieren is ontstaan. De prijs stijgt. Uw ei is daardoor meer waard geworden dan gisteren.
U heeft het ei nog niet verkocht.
U heeft geen geld ontvangen.
Maar op papier is de waarde gestegen.
De vraag is dan: heeft u inkomen ontvangen?
Of bezit u simpelweg een ei dat vandaag meer waard is dan gisteren?
De meeste mensen zullen intuïtief zeggen dat er nog geen sprake is van inkomen.
Want zolang het ei niet is verkocht, is de waardestijging slechts een mogelijkheid.
De prijs kan morgen weer dalen.
Het ei kan breken.
Of u kunt besluiten het zelf te gebruiken.
Een waardestijging is nog geen gerealiseerd resultaat.
Een mogelijkheid is nog geen inkomen.
Toch lijkt een deel van de huidige discussie over vermogensbelasting op deze gedachtegang. Niet omdat een ei hetzelfde is als een woning, aandeel of beleggingspand, maar omdat dezelfde vraag centraal staat:
Is een waardestijging hetzelfde als inkomen?
Wanneer begrijpen mensen belasting?
De meeste Nederlanders hebben weinig moeite met belasting over inkomen.
U ontvangt salaris.
U ontvangt rente.
U ontvangt dividend.
U ontvangt huur.
U verkoopt iets met winst.
Er komt geld binnen.
Dat geld kunt u besteden.
Dat voelt voor veel mensen logisch als grondslag voor belastingheffing.
Maar wordt het ook logisch wanneer er nog geen geld is ontvangen?
De boer
Stel dat een boer landbouwgrond bezit.
Door schaarste en marktontwikkelingen stijgt de waarde van zijn grond met enkele tonnen.
De boer verkoopt niets.
Hij ontvangt niets.
Hij wil zijn grond niet verkopen.
Sterker nog: zonder die grond kan hij zijn bedrijf niet voortzetten.
De vraag is dan niet of de grond meer waard is geworden.
De vraag is:
Heeft de boer inkomen ontvangen?
Op papier is zijn vermogen gestegen.
Maar beschikt hij ook over extra geld waarmee hij belasting kan betalen?
De ondernemer en zijn bedrijfspand
Een ondernemer koopt een bedrijfspand voor € 500.000.
Tien jaar later is dat pand € 900.000 waard.
Hij verkoopt het pand niet.
Hij gebruikt het dagelijks om zijn onderneming uit te oefenen.
Het pand is geen handelsvoorraad.
Het is een hulpmiddel waarmee omzet wordt gemaakt.
Heeft deze ondernemer € 400.000 inkomen ontvangen?
Of bezit hij slechts een bedrijfsmiddel dat meer waard is geworden?
En als hij belasting moet betalen over die waardestijging, waar komt dat geld dan vandaan?
Uit de kas?
Via een lening?
Door verkoop van het pand?
Voorraad is iets anders dan een bedrijfsmiddel
In discussies worden deze begrippen regelmatig door elkaar gehaald.
Een autohandelaar koopt auto’s om te verkopen.
Een supermarkt koopt producten om te verkopen.
Een groothandel koopt voorraad om te verkopen.
Maar een bakker koopt zijn oven niet om te verkopen.
Een transportbedrijf koopt een vrachtwagen niet om te verkopen.
Een boer koopt een tractor niet om te verkopen.
Dat zijn hulpmiddelen waarmee omzet wordt gegenereerd.
Wanneer de waarde van een tractor stijgt, betekent dat nog niet automatisch dat de boer rijker is geworden.
Misschien moet hij bij vervanging juist méér betalen om dezelfde economische positie te behouden.
De invloed van inflatie
Niet iedere waardestijging betekent dat iemand werkelijk rijker wordt.
Stel dat een pand twintig jaar geleden € 500.000 kostte.
Vandaag wordt het verkocht voor € 800.000.
Op papier lijkt er € 300.000 winst te zijn.
Maar wat als in diezelfde periode de prijzen van vrijwel alles zijn gestegen?
Wat als een vergelijkbaar pand inmiddels ook € 800.000 kost?
Is er dan werkelijk meer koopkracht ontstaan?
Of zien we vooral het effect van geldontwaarding?
Nominale winst en reële winst zijn niet altijd hetzelfde.
Het pensioen dat geen pensioenfonds heeft
Veel ondernemers bouwen geen pensioen op via een werkgever of pensioenfonds.
Zij reserveren geld uit reeds belaste inkomsten.
Zij sparen.
Zij beleggen.
Of zij investeren in onroerend goed.
Daarvoor nemen zij risico’s.
Zij sluiten hypotheken af.
Zij lossen jarenlang af.
Zij dragen onderhoudskosten.
Zij lopen risico op leegstand, wanbetaling, economische tegenwind en waardedalingen.
Vaak is het doel niet om vandaag rijker te worden, maar om later financieel onafhankelijk te zijn en iets aan de volgende generatie te kunnen nalaten.
Nederland kent voor familiebedrijven de Bedrijfsopvolgingsregeling.
De gedachte daarachter is begrijpelijk. Wanneer een onderneming wordt overgedragen aan de volgende generatie, wil de wetgever voorkomen dat het bedrijf moet worden verkocht om de belasting te kunnen betalen.
Dat roept een bredere vraag op.
Waarom beperken wij dat argument tot ondernemingen?
Wanneer vinden wij vermogensopbouw maatschappelijk gewenst?
En wanneer vinden wij dezelfde vermogensopbouw vooral een bron van belastingheffing?
Het familiebedrijf
Een familiebedrijf bezit gebouwen, machines en grond.
Door economische ontwikkelingen stijgt de waarde daarvan.
De familie heeft echter geen verkoopplannen.
Zij willen het bedrijf voortzetten en uiteindelijk overdragen aan hun kinderen.
De waardestijging bestaat op papier.
Maar waar komt de belasting vandaan wanneer er geen verkoop heeft plaatsgevonden?
Moet een onderneming activa verkopen om belasting te betalen over een waardestijging die nog niet is gerealiseerd?
Continuïteit: alleen belangrijk voor ondernemingen?
Een belangrijk argument achter de Bedrijfsopvolgingsregeling is continuïteit.
De wetgever wil voorkomen dat een onderneming moet worden verkocht om erfbelasting te kunnen betalen.
Dat roept een bredere vraag op.
Waarom beperken wij dat argument tot ondernemingen?
Stel dat ouders gedurende tientallen jaren een vastgoedportefeuille hebben opgebouwd.
Niet met het doel om snel winst te maken, maar als pensioenvoorziening en als nalatenschap voor hun kinderen.
De woningen zijn jarenlang verhuurd.
Huurders wonen er soms al vele jaren.
Na het overlijden van de ouders ontstaat een erfbelastingclaim.
Wanneer de erfgenamen onvoldoende liquide middelen hebben, kan verkoop noodzakelijk worden.
De vraag is niet of erfbelasting bestaat.
De vraag is welke waarde wij hechten aan continuïteit.
Vinden wij continuïteit alleen belangrijk wanneer het gaat om een onderneming?
Of verdient ook andere langetermijnvermogensopbouw aandacht wanneer belastingheffing ertoe kan leiden dat activa moeten worden verkocht?
De boomgaard
Stel dat een boer een boomgaard bezit.
Door marktontwikkelingen wordt die boomgaard steeds meer waard.
De boer verdient echter pas geld wanneer hij appels verkoopt.
Niet wanneer een taxateur langskomt en zegt:
“Uw boomgaard is vandaag meer waard dan gisteren.”
De taxateur heeft geen inkomen gecreëerd.
Hij heeft alleen een waardeoordeel gegeven.
Dat verschil lijkt klein, maar is fundamenteel.
De eigen woning
Veel Nederlanders herkennen dit voorbeeld.
Hun woning stijgt in waarde.
Dat voelt prettig.
Maar stel dat alle woningen in Nederland tegelijkertijd stijgen.
Bent u dan werkelijk rijker geworden?
Als u verkoopt, moet u immers meestal ook weer een andere woning kopen.
De waardestijging bestaat.
Maar de vraag blijft:
Is een waardestijging automatisch hetzelfde als besteedbaar inkomen?
De overheid als gedachte-experiment
Laten we hetzelfde principe toepassen op de overheid.
Overheidsgebouwen stijgen soms in waarde.
Grondposities stijgen soms in waarde.
Vastgoed stijgt soms in waarde.
Beschouwen wij die waardestijgingen als besteedbaar inkomen?
Waarschijnlijk niet.
Niet omdat de waardestijging niet bestaat.
Maar omdat vrijwel iedereen intuïtief begrijpt dat een waardestijging iets anders is dan daadwerkelijk ontvangen geld.
Dit voorbeeld is niet bedoeld als kritiek op de overheid.
Het is slechts een test van het principe.
Een goed principe moet immers voor iedereen logisch toepasbaar zijn.
Belasting op groei of groei van belasting?
Belastinggeld ontstaat niet vanzelf.
Voordat belasting kan worden geheven, moet eerst iemand inkomen verdienen.
Een ondernemer start een bedrijf.
Een werknemer verricht arbeid.
Een belegger stelt kapitaal beschikbaar.
Een verhuurder investeert in vastgoed.
Een boer investeert in grond, machines en gebouwen.
Pas daarna ontstaat economische activiteit.
Uit die economische activiteit ontstaan lonen, winsten, huren, rente-inkomsten en consumptie.
En pas daarna ontstaan belastinginkomsten.
Dat roept een vraag op.
Moet een belastingstelsel zich uitsluitend richten op het belasten van bestaande vermogens?
Of moet het zich ook afvragen hoe ondernemerschap, investeringen en economische groei kunnen worden gestimuleerd?
Misschien zijn economische groei en belastingopbrengsten geen tegenpolen.
Misschien versterken zij elkaar juist.
De bron van belastinginkomsten
Een belastingstelsel heeft een belangrijke taak: het financieren van publieke voorzieningen.
Maar belastinginkomsten ontstaan doordat mensen werken, ondernemen, investeren en risico nemen.
Misschien verdient daarom niet alleen de belastingheffing aandacht, maar ook de vraag hoe belastinggrondslagen worden gevormd.
Want voordat er belasting kan worden geheven, moet eerst iemand iets creëren.
De bloedende patiënt
Voorstanders en tegenstanders van belastingheffing over waardestijgingen discussiëren vaak over liquiditeitsproblemen.
Maar misschien is dat niet de belangrijkste vraag.
Stel dat een patiënt hevig bloedt.
Wij kunnen de vloer blijven dweilen.
Of wij kunnen de wond sluiten.
Het bloed op de vloer is zichtbaar.
Maar het is niet de oorzaak.
De oorzaak is de wond.
Op dezelfde manier kan men zich afvragen:
Is een liquiditeitsprobleem het werkelijke probleem?
Of ontstaat het liquiditeitsprobleem juist doordat belasting wordt geheven voordat inkomen daadwerkelijk beschikbaar komt?
Vijf uitgangspunten voor een duurzaam belastingstelsel
Tijdens het schrijven van dit artikel kwamen wij steeds terug bij dezelfde vraag:
Wanneer functioneert een belastingstelsel eigenlijk goed?
Hoewel mensen van mening kunnen verschillen over tarieven, vrijstellingen en uitzonderingen, zijn er enkele uitgangspunten die naar onze mening van belang zijn voor ieder duurzaam belastingstelsel.
1. Regels moeten bestaan
Een samenleving heeft duidelijke regels nodig.
Ondernemers, werknemers, beleggers en burgers moeten weten welke rechten en verplichtingen zij hebben.
Zonder regels ontstaat onzekerheid.
Zonder zekerheid worden investeringen uitgesteld en wordt plannen moeilijk.
2. Regels moeten worden nageleefd
Regels hebben alleen betekenis wanneer zij ook daadwerkelijk worden nagekomen.
Een belastingstelsel kan alleen functioneren wanneer belastingplichtigen begrijpen wat van hen wordt verwacht en wanneer de overheid de regels op een consistente manier toepast.
Vertrouwen ontstaat wanneer regels niet alleen worden gemaakt, maar ook worden gerespecteerd.
3. Belastingen moeten betaalbaar zijn
Een belastingaanslag moet in de praktijk kunnen worden betaald.
Wanneer belastingheffing structureel leidt tot gedwongen verkoop van bezittingen of het aangaan van nieuwe schulden, is het verstandig om te onderzoeken of de belastinggrondslag en de betaalbaarheid nog voldoende op elkaar aansluiten.
Belastingheffing veronderstelt uiteindelijk dat er middelen beschikbaar zijn om de belasting te voldoen.
4. Een belastingstelsel moet economische activiteit stimuleren
Belastinginkomsten ontstaan niet vanzelf.
Zij ontstaan doordat mensen werken, ondernemen, investeren, sparen en risico nemen.
Een belastingstelsel dat economische activiteit stimuleert, vergroot niet alleen de welvaart, maar versterkt uiteindelijk ook de belastinggrondslag waarop de overheid haar inkomsten baseert.
Economische groei en belastingopbrengsten zijn daarom niet noodzakelijk elkaars tegenpolen.
Zij kunnen elkaar juist versterken.
5. Een belastingstelsel vraagt om stabiliteit op lange termijn
Veel belangrijke financiële beslissingen worden genomen voor tientallen jaren.
Ondernemers investeren in bedrijven.
Boeren investeren in grond en machines.
Particulieren bouwen vermogen op voor hun pensioen.
Ouders proberen iets na te laten aan hun kinderen.
Dergelijke beslissingen vragen om voorspelbaarheid.
Wanneer regels voortdurend veranderen, wordt het steeds moeilijker om langetermijnbeslissingen te nemen.
Juist daarom is stabiliteit een belangrijke eigenschap van een duurzaam belastingstelsel.
Niet alleen voor belastingplichtigen, maar ook voor de economie als geheel.
Epiloog
Dit artikel pretendeert niet de perfecte oplossing te hebben voor box 3.
Misschien bestaat die oplossing niet.
Maar misschien begint iedere oplossing wel met een eenvoudige vraag:
Wanneer ontstaat werkelijk inkomen?
Niet iedere waardestijging is besteedbaar.
Niet iedere waardestijging wordt gerealiseerd.
Niet iedere verwachting wordt werkelijkheid.
Misschien begint een rechtvaardig belastingstelsel daarom niet met de vraag hoeveel belasting moet worden geïnd.
Misschien begint het met de vraag wat wij eigenlijk onder inkomen verstaan.
En misschien verdient ook de vraag aandacht hoe inkomen, ondernemerschap, investeringen en belastinggrondslagen ontstaan.
Want voordat iets kan worden belast, moet het eerst worden gecreëerd.
Daarom eindigen wij met dezelfde gedachte waarmee wij begonnen.
Een ei kan in waarde stijgen.
Een ei kan een kip worden.
Maar een ei is nog geen kip.
En een waardestijging is nog niet automatisch inkomen.


Geef een reactie